Biologische bestrijding

Biologische bestrijding is het inzetten van de natuurlijke vijanden van de plaagsoort. Voor beheersing van Aziatische duizendknopen in Noordwest-Europa heeft de internationale organisatie CABI in Engeland jarenlang onderzoek gedaan naar geschikte en veilige natuurlijke vijanden. Dat heeft  twee opties opgeleverd, de Japanse bladvlo (Aphalara itadori) en een schimmel (Mycosphaerella polygoni-cuspidati). Nu is het onderzoek zo ver dat er praktijkproeven uitgevoerd kunnen worden. Samen met diverse probleemhouders is een project gestart om in Nederland praktijkproeven uit te gaan voeren. De projectpartners zijn de werkgroep Plaagsoorten van de Unie van Waterschappen, Probos, Stowa en experts op het gebied van biologische bestrijding van Universiteit Leiden, CABI en Koppert. De uitvoering wordt gefinancierd en ondersteund door deelnemende regionale en landelijke probleemhouders. De proefontheffing  voor onderzoek naar de schimmel is in september 2019 door het Ctgb verleend. De procedure voor toestemming om onderzoek te doen met de bladvlo loopt nog.

Wat is biologische bestrijding?

Ongewenste planten zijn in de vrije omgeving vaak moeilijk kosten-effectief te bestrijden met mechanische of chemische middelen. Biologische bestrijding kan dan uitkomst bieden. Biologische bestrijding is het gebruik van een natuurlijke vijand (vaak een insect, bacterie of schimmel) om een plaagsoort te bestrijden.

Biologische bestrijding wordt al meer dan een eeuw succesvol toegepast buiten Europa. Biologische bestrijdingsprogramma’s zijn tegenwoordig wetenschappelijk bewezen kosten-effectief, veilig en milieuvriendelijk. In de Catalogus van biologische bestrijders is een overzicht van wereldwijde inzet van biologische bestrijders.

Stand van zaken in Nederland

Afgelopen jaren is in het Verenigd Koninkrijk veel onderzoek gedaan om een aantal biologische bestrijders van Japanse duizendknoop voor Europa te selecteren. Doel van het het huidige onderzoek is om in Nederland in de praktijk te onderzoeken of de schimmel en de bladvlo ingezet kunnen worden bij de beheersing en bestrijding van duizendknoop. Deze twee organismen zijn al veilig bevonden voor het uitzetten in de vrije natuur. Verder onderzoek is nodig om de bestrijders in optimale vorm te brengen voor het uitzetten in de Nederlandse buitenlucht en te testen hoe effectief deze bestrijders hier zijn. CABI heeft samen met de werkgroep Plaagsoorten (van de Nederlandse Waterschappen), Universiteit van Leiden, Koppert en Probos een plan van aanpak opgesteld om dit uit te voeren.

Twee vormen van biologische bestrijding

Biologische bestrijding kent twee vormen: inundatieve biologische bestrijding en klassieke biologische bestrijding. Bij inundatieve biologische bestrijding wordt een biologische bestrijder in grote getallen verspreid. De bestrijder kan zich niet blijvend in de nieuwe omgeving vestigen, bijvoorbeeld doordat het klimaat daarvoor niet geschikt is, en verdwijnt uit het ecosysteem. Bij inundatieve biologische bestrijding moet de bestrijder dus herhaaldelijk worden uitgezet om een plaagsoort te bestrijden. Voor Japanse duizendknoop is een schimmel (Mycosphaerella polygoni-cuspidati) als inundatieve biologische bestrijder in ontwikkeling. De schimmel kan zichzelf niet voortplanten en zal daarom, als een regulier bestrijdingsmiddel, bij herhaling moeten worden toegepast om de Japanse duizendknoop te bestrijden.

Bij klassieke biologische bestrijding wordt een bestrijder uitgezet met de bedoeling dat de bestrijder zich blijvend vestigt in een nieuwe omgeving. Meestal zijn in het begin herhaaldelijke introducties nodig totdat de biologische bestrijder in een nieuw ecologisch evenwicht komt met de plaagsoort, waarbij beide in lage dichtheden blijven voortbestaan. De plaagsoort wordt dus niet geëlimineerd door klassieke biologische bestrijding maar in toom gehouden. Voor Japanse duizendknoop is een bladvlo (Aphalara itadori) onderzocht. Deze bladvlo voedt zich met sappen van de Japanse duizendknoop en houdt zo de soort onder controle.

Voordelen van biologische bestrijding

Voor duizendknoop is er nog geen ei van Columbus waarmee de soort kan worden beheerst. Per locatie moet een passende methode gezocht worden (of combinatie van meerdere methodes) en veelal is één behandeling niet voldoende. Biologische bestrijding zou een toevoeging kunnen bieden om duizendknoop te kunnen beheersen en de effectiviteit van bestrijdingsmethoden te verhogen. Bij klassieke biologische bestrijding is het een voordeel dat de biologische bestrijder meestal slechts in het begin hoeft te worden uitgezet, terwijl andere bestrijdingsmethoden herhaaldelijk moeten worden toegepast. Hiermee is klassieke biologische bestrijding een goedkope maatregel in vergelijking met andere bestrijdingsmethodes. De risicoanalyses en toelatingsprocedures voor biologische bestrijding zijn bijzonder streng. Alleen indien de autoriteiten deze methode veilig vinden, zal men akkoord gaan met de toepassing hiervan.

Nadelen

Biologische bestrijding is, net als alle andere methoden, geen quick-fix oplossing. Eén van de nadelen is daarom de tijd die nodig is voordat effecten merkbaar zijn. Na de introductie kan het enige tijd duren voordat de effecten op de doelsoort zichtbaar worden, bijvoorbeeld omdat de populatie van de bestrijder in het begin niet groot genoeg is om significante effecten op de doelsoort te hebben.

Potentiële, soortspecifieke bestrijders moeten aan strenge eisen voldoen voordat ze kunnen worden geïntroduceerd en het duurt normaliter jaren voordat het vereiste onderzoek is afgerond. Echter, in Engeland is al veel voorwerk gedaan om de twee biologische bestrijders te testen op veiligheid van introductie.

Risico’s

Het uitzetten van een biologische bestrijder kan onomkeerbaar zijn, in het geval van klassieke biologische bestrijding. Om risico’s te minimaliseren, moeten biologische bestrijders tegenwoordig voldoen aan strenge veiligheidscriteria. Deze veiligheidscriteria worden getoetst door uitgebreide experimentele studies en risicoanalyses. Deze studies bekijken of de biologische bestrijder specifiek leeft van de beoogde plantensoort, of de biologische bestrijder kruist of concurreert met organismen die van origine in het openbaar groen voorkomen en of er andere effecten op de inheemse diversiteit te verwachten zijn.

Voorbeelden

Biologische bestrijding wordt wereldwijd sinds jaar en dag voor plaagbestrijding van insecten en mijten in kassen en boomgaarden toegepast. Hier gaat het om inundatieve bestrijding. Hierbij worden herhaaldelijk predatoren of parasieten (vaak ook insecten of mijten) ingezet die de plaagsoort elimineren of beheersen. Voorbeelden zijn sluipwespen voor de beheersing van bladluizen in paprika of de roofmijt Phytoseiulus persimilis tegen spintmijten in rozen.

Biologische bestrijding wordt buiten Europa ook al meer dan een eeuw toegepast voor de beheersing van onkruiden in de vrije natuur, vooral in Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid-Afrika, de VS en Canada. Daarbij wordt meestal gebruik gemaakt van klassieke biologische bestrijding. Waterhyacint (Eichhornia crassipes) behoort tot de ergste invasieve waterplanten wereldwijd en kan wateroppervlaktes van vele hectaren volledig bedekken. De soort is in Noord Amerika en India succesvol bestreden met twee soorten snuitkevers, waarbij de bedekkingsgraad door waterhyacinth binnen een paar jaar verminderde tot onder de 5%. Een ander voorbeeld is de succesvolle bestrijding van groot kroosvaren (Azolla filiculoides) door de plantetende snuitkever Stenopelmus rufinasus in Zuid-Afrika. Deze snuitkever is inmiddels genaturaliseerd in Nederland en is een aantal jaar geleden door waterschappen in het westen van het land als inundatieve biologische bestrijder uitgezet. Daarbij werd kroosvaren plaatselijk volledig uitgeroeid.

Voorgaand traject in Engeland en stand van zaken nu

In Engeland zijn twee biologische bestrijders door CABI grondig onderzocht naar hun specificiteit ten aanzien van de waardplant de Japanse duizendknoop. Eén daarvan is de bladvlo Aphalara itadori en de andere is de schimmel Mycosphaerella polygoni-cuspidati.  De bladvlo valt onder de Wet natuurbescherming omdat het over uitzetten van een hoger organisme (een insect) gaat.

De schimmel kan worden aangemerkt als een bestrijdingsmiddel op biologische basis, omdat het een toepassing betreft die onder de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden valt.

De bladvlo als biologische bestrijder

De bladvlo is een biologische bestrijder die sap uit de duizendknoop en nauwverwante soorten zuigt. In Japan brengt hij flinke schade toe aan de planten. Uit onderzoek in Engeland bleek dat de bladvlo bij lage dichtheid in het laboratorium gepotte Japanse duizendknopen in de groei remt en bij hoge dichtheid zelfs kan doden. Het is onduidelijk hoeveel schade de bladvlo in de Nederlandse buitenlucht kan toebrengen. Dit hangt af van zijn overleving, voortplantingssnelheid en verspreiding.

In Engeland zijn meerjarige studies naar de bladvlo uitgevoerd door CABI, waarmee alle informatie over risico’s van de bladvlo nu bekend zijn. Naar aanleiding van deze risico-analyse heeft de Engelse overheid in 2014 al toestemming gegeven om de bladvlo in de vrije natuur los te laten voor experimenten. Deze hebben bevestigd dat er geen risico’s zijn voor niet-waardplanten en voor andere insecten. Ook heeft CABI in opdracht van, en gefinancierd door de NVWA aanvullend onderzoek gedaan naar de risico’s voor plantensoorten die wel in Nederland maar niet in Engeland voorkomen of van economisch belang zijn. Daarnaast is de gevoeligheid Japanse duizendknoop uit Nederland voor de bladvlo bevestigd. De NVWA heeft hierna een positieve risicobeoordeling gegeven, waarin zij stelt dat de bladvlo in Nederland alleen op de Japanse duizendknoop en twee nauw verwante soorten kan leven (de Sachalinse duizendknoop en de bastaard duizenknoop, die beide ongewenst zijn) en niet op andere planten kan overstappen. Er zijn geen risico’s gevonden voor de biodiversiteit of economisch belangrijke planten in Noordwest-Europa. Het is onwaarschijnlijk dat de bladvlo met vergelijkbare soorten in Nederland kan kruisen. De gehele risicobeoordeling is te lezen op de website van de NVWA: https://www.nvwa.nl/documenten/dier/dieren-in-de-natuur/exoten/risicobeoordelingen/pest-risk-assessment-aphalara-itadori-for-north-western-europe

De volgende stap in het onderzoek naar de bladvlo is een veldexperiment. Dit veldexperiment moet aantonen en dat het voldoende effectief is om Japanse duizendknoop onder controle te houden. Voor uitzetten in de vrije natuur (zoals voor het veldexperiment) moet toestemming aan de Nederlandse overheid worden gevraagd. De bladvlo zal hiervoor opnieuw moeten worden geïmporteerd vanuit Japan. Het onderzoek zal de overleving in de winter testen en het effect op de Japanse duizendknoop planten. Na afronding van dit experiment met positief resultaat kan de bladvlo in heel Nederland worden uitgezet. Dit onderzoek zal na verkrijgen van toestemming van de Nederlandse overheid in totaal 24 maanden duren.

De schimmel als bestrijdingsmiddel

Onderzoek in Engeland heeft aangetoond dat de schimmel exclusief Japanse duizendknoop aantast en is veilig bevonden voor gebruik in heel Europa. De schimmel is in opdracht van de NVWA in Engeland ook getest op effectiviteit, ook op Nederlandse Japanse duizendknoop-klonen. De schimmel lijkt inderdaad een potentiële effectieve bestrijder van de Japanse duizendknoop, maar er moeten nog studies in kassen en daarna veldstudies worden uitgevoerd om de effectiviteit onder natuurlijke omstandigheden te testen. Daarnaast moet de schimmel geschikt worden gemaakt om als middel te kunnen worden toegepast. Koppert Biological systems gaat de schimmel verwerken tot een toepasbaar product. De schimmel zal, na toelating door het College van toelatingen gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), net zo kunnen worden toegepast als een regulier bestrijdingsmiddel. Omdat de schimmel zich niet kan voortplanten, zal het net als een chemisch bestrijdingsmiddel bij herhaling moeten worden toegepast. De verwachte effectiviteit is vergelijkbaar als die van glyfosaat (RoundUp). De daadwerkelijke effectiviteit onder natuurlijke omstandigheden moet nog worden getest in kassen en door middel van veldstudies. Inmiddels is door het Ctgb een proefontheffing gegeven om het onderzoek in Nederland te starten. Ook dit onderzoek zal in totaal 24 maanden duren.